|
Iedereen die in Nederland loon-en/of inkomstenbelasting betaalt én nog geen 65
jaar of ouder is, draagt bij aan de AOW. Dit wordt het omslagstelsel genoemd,
omdat deze premieinkomsten meteen worden gebruikt voor het betalen van de
AOW-uitkeringen.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt elk jaar de premie vast.
Deze wordt onder meer bepaald aan de hand van het aantal pensioengerechtigden,
de hoogte van de uitkeringen en de verwachte kosten.
Voor nu en straks een welverdiende oudedag
Bij de invoering van de AOW in 1957 is ervoor gekozen om de AOW te financieren
via het zogenaamde omslagstelsel. Dat houdt in dat de AOW wordt betaald uit de
AOW-premies die iedereen die een inkomen heeft, moet betalen. Met andere
woorden: wie nu werkt, betaalt de AOW van zijn opa, oma, vader en moeder.
Jarenlang is deze manier van financieren zonder problemen verlopen. De
beroepsbevolking was namelijk altijd veel groter dan het aantal mensen dat recht
had op AOW. Aan die situatie komt langzamerhand een einde, omdat de Nederlandse
samenleving snel begint te vergrijzen. In 2030 bereikt die vergrijzing zijn
hoogtepunt.
Om ervoor te zorgen dat de werkenden van nu straks ook van hun welverdiende
oudedag met AOW kunnen genieten, is in 1998 een speciaal AOW-spaarfonds
ingesteld. Daarin wordt jaarlijks geld gestort dat afkomstig is uit de
belastinginkomsten. De verwachting is dat het spaarfonds in 2020 een bedrag van
135 miljard euro in kas heeft. Dat geld zal worden gebruikt om vanaf dat moment
de AOW-uitgaven te helpen financieren.
|